Een ongepland moederboek

werkplek

Morgen verschijnt ‘Het aanbidden van Louis Claus!’ Voor hard//hoofd legde ik de weg van idee naar roman vast.
‘Het idee van een moederboek bleef me achtervolgen. Daar wilde ik niet over schrijven, het moest een liefdesverhaal worden. Een liefdesverhaal over Louis Claus.’

Lees het verhaal hier

In het Hoofd//stuk doen schrijvers een poging om de weg naar het verhaal vast te leggen. Welke tips hadden zij willen krijgen toen ze begonnen? Waar begin je, hoe begin je? Welk advies zullen ze nooit en dan ook nooit meer opvolgen? Helena Hoogenkamp vertelt over hoe haar debuutroman helemaal geen verhaal over moeders moest worden, maar over liefde. Uiteindelijk schreef ze óók over moeders, maar vooral over een verlangen dat zo groot is dat niet uitgesproken kan worden. Maar wat laat je weg en wat vertel je juist wel als je wil vertellen over het onzegbare?

‘Anita Claus en haar zoon stonden bij het tuinhek, om sorry te zeggen.’ Met deze zin begon ik vijf jaar geleden aan het schrijven van een roman. Ik zag een helder beeld van twee moeders: een van hen was Anita Claus. De andere moeder deed de deur open en nam de excuses in ontvangst, maar was niet onder de indruk. Ik voelde de verhoudingen heel sterk: een liefdevolle, verstikkende moeder die met haar zoon meegaat als hij iets fout heeft gedaan en zelfs namens hem excuses aanbiedt zodat hij zich niet schuldig hoeft te voelen, en een ongeduldige, botte moeder die niet zoveel opheeft met Anita en haar nette manieren.

‘Het wordt een moeder-boek,’ zei een redactrice aan wie ik mijn idee uitlegde. Ik mocht bij een aantal uitgeverijen op gesprek, terwijl ik nog geen afgerond manuscript had. Omdat ik nog niet wist waar mijn idee naartoe ging wisten mijn gesprekspartners het ook niet. Het idee van een moederboek bleef me achtervolgen. Daar wilde ik eigenlijk niet over schrijven, het moest een liefdesverhaal worden.

Krijgt een lezer wel mee wat je niet opschrijft?

Een liefdesverhaal over Louis Claus. Nadat ik die naam had verzonnen vroeg ik me af hoe hij er uitzag. Blond en lang, als een droomprins. Ik zag Louis voor me als een soort Big Brother, op grote schermen geprojecteerd door de hele stad, en als guru van een goedlopend zelfhulpboekenbedrijf. Maar uiteindelijk werd Louis weer een gewone jongen met een beschermende moeder, en mijn hoofdpersonage een meisje dat verliefd op hem was. Het meisje, Carla, groeide uit tot een personage dat vaak niet begreep wat haar overkwam. Tijdens het schrijven wist ik het wel: Carla verliest haar moeder, haar vriendinnen en op een bepaalde manier ook Louis. Om geloofwaardig te maken dat ze dit niet beseft, liet ik haar wegdromen en overspoeld raken door haar zintuigen. Oogverblindend zonlicht en tikkende regen overstemmen haar denken. En in de gesprekken met anderen zwijgt ze vaak en vraagt ze niet door.

Daarmee is ‘Het aanbidden van Louis Claus’ een roman geworden over het onzegbare. Omdat je niet weet wat je moet zeggen of wanneer je het moet zeggen. Maar krijgt een lezer wel mee wat je niet opschrijft? Vaak schreef ik in eerste instantie alles wat er tussen de personages gebeurde helemaal uit. Ik had de neiging om de spanning in te lossen door ze te laten kussen of vechten en daarna haalde ik de botsingen weg.

Inmiddels had ik een redactrice gevonden aan wie ik fragmenten liet lezen. In onze gesprekken hoorde ik terug hoe zij het verhaal begreep, waar ik te veel had verwijderd of juist te veel had laten staan. Door het dromerige karakter van de tekst dacht ik me veel te kunnen permitteren, maar je moet het echt aangeven als de scene zich op een nieuwe locatie afspeelt. Of als er een tijdsprong wordt gemaakt. Het moet duidelijk blijven wie er aan het woord is, en wanneer en waar. Van mijn redactrice leerde ik dat het geven van zulke handvatten de magie van je verhaal niet aantast.

Ik durfde niet over woede, ongemak of lust te schrijven, was niet comfortabel met mijn eigen fantasie. 

Ik wilde altijd al iets langers schrijven, maar ben begonnen met het maken van korte verhalen en gedichten. Wat ik schreef liet ik snel aan anderen lezen. Maar uiteindelijk merkte ik dat schrijfgroepen of te veel meelezers voor mij averechts werkten: Na een uitgebreid gesprek over de tekst was ik zelf kwijt wat ik wilde zeggen. Ik durfde niet over woede, ongemak of lust te schrijven, was niet comfortabel met mijn eigen fantasie. Wat hielp toen ik begon aan deze roman, was me voorstellen dat niemand het ging lezen. Tegelijkertijd was er daardoor geen druk om het af te maken. Het is toch goed om een deadline te hebben. Maar niet in de eerste jaren, ik wilde mijn gedachten een tijdje volgen zonder vragen te hoeven beantwoorden.

Om niet ontmoedigd te raken maakte ik afspraken met mezelf: Hoeveel woorden ik dagelijks moest schrijven, of hoeveel bladzijden. Dat ik elke dag het bestand moest openen. Dat ik hierna nog een boek kon schrijven, maar dit eerst af moest maken. Er was een jaar waarin ik alleen met de hand schreef. Het heeft me daarna maanden gekost om al die notitieblokken in te tikken. Bij het teruglezen van alle versies en verschillende slingerende verhaallijnen bleven de stukken over de twee moeders en over Louis Claus overeind. Ik heb ze gecombineerd tot een verhaal over verlangen, een verlangen zo groot dat je het niet uit durft te spreken.

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *